De blusrating van een brandblusser geeft per brandklasse aan hoe "capabel" de brandblusser is om dat soort branden te blussen. Hoe hoger de blusrating, hoe beter geschikt de brandblusser is voor die brandklasse(n).

Waar staat de A blusrating voor?

Voor branden op basis van vaste stoffen (brandklasse A) werd een brandproef ontwikkeld in de vorm van een rechthoekige stapel hout. De stapel met hout wordt in een regelmatig patroon met gelijke tussenruimte opgestapeld zodat er zich tussen de balkjes een open ruimte bevind. De hoogte en de breedte van de houtstapel zijn standaardmaten: hoogte is 0,5m. en de breedte is 0,56m. De lengte van de stapel bepaalt uiteindelijk de blusrating. Nadat de stapel circa 8 minuten brandt, wordt er begonnen met het blussen.

  • 13A: de houtstapel heeft een lengte van 1,3m
  • 27A: de houtstapel heeft een lengte van 2,7m
  • 43A: de houtstapel heeft een lengte van 4,3m

De blusrating wordt pas toegekend wanneer de proefopstelling met succes is geblust. Bovendien mag er binnen twintig minuten na de blussing geen herontsteking optreden.

Waar staat de B blusrating voor?

Voor brandende vloeistoffen (brandklasse B) werd een brandproef ontwikkeld in de vorm van een ronde bak die voor 2/3 met heptaan is gevuld en voor 1/3 met water. De diameter van de bak varieert afhankelijk van de inhoud. Wanneer de heptaan wordt ontstoken, mag er pas na 1 minuut worden begonnen met blussen. 

  • 55B: een bak gevuld met 55 liter vloeistof
  • 144B: een bak gevuld met 144 liter vloeistof
  • 233B: een bak gevuld met 233 liter vloeistof

De blusrating wordt pas toegekend wanneer de proefopstelling met succes is geblust. Bovendien mag er binnen twintig minuten na de blussing geen herontsteking optreden.

Waar staat de C blusrating voor?

De brandklasse C staat voor branden op basis van gassen. Omdat gassen volatiel zijn, kan voor deze klasse geen rating toegekend worden. De aanduiding "C" is dus steeds zonder getal en geeft eenvoudig aan dat de blusser ook geschikt is om branden op basis van gassen te blussen.

Waar staat de F blusrating voor?

Voor vetbranden (brandklasse F) werd een brandproef ontwikkeld met een frituurpan. Het frituurvet wordt verhit tot boven de 350˚C zodat het vet zijn ontbrandingstemperatuur heeft bereikt. Wanneer dit enkele minuten aan het branden is, wordt er gestart met blussen.

  • 40F staat voor een frituurpan met een inhoud van 40 liter frituurvet.
  • 75F staat voor een frituurpan met een inhoud van 75 liter frituurvet.

De blusrating wordt pas toegekend wanneer de proefopstelling met succes is geblust. Bovendien mag er binnen twintig minuten na de blussing geen herontsteking optreden.

Hoelang is een brandblusser houdbaar?

Voor brandblussers gelden de volgende regels omtrent houdbaarheid:

  • Brandblussers die je in gebouwen gebruikt (typisch alle poederbrandblussers van 3kg of meer en alle andere soorten brandblussers) moeten wettelijk 20 jaar na de productiedatum integraal vervangen worden. De productiedatum staat ofwel gedrukt op een plastieken ring rond de hals van de brandblusser, of ze staat gedrukt op het brandblusservat (al dan niet onder de plastieken voet van de brandblusser). Brandblussers onder permanente druk worden in de praktijk na 10 jaar vervangen, omdat ze dan een (heel dure) herbeproeving moeten ondergaan. Brandblussers met intern patroon, die niet constant onder druk staan, gaan wel gewoon de volle 20 jaar mee. Lees hier meer over het verschil tussen brandblussers onder permanente druk en met intern patroon.
  • Brandblussers die je in de wagen gebruikt (en voorzien zijn van een BENOR V-label) dien je na 5 jaar integraal te vervangen. De vervaldatum staat steeds duidelijk aangegeven op het etiket van de brandblusser.

Brandblussers die je in een professionele context gebruikt of in gemeenschappelijke delen van appartementen, dienen wel een jaarlijks onderhoud of keuring te krijgen.

Welke normen en regelgeving zijn relevant voor brandblussers?

Er zijn heel wat normeringen en regels die van toepassing zijn op brandblussers. Grofweg kunnen we ze indelen in

  • Constructienormen: deze bepalen hoe een product geproduceerd moet worden
  • Onderhoudsnormen: deze bepalen hoe producten onderhouden moeten worden
  • Projecteringsnormen: deze bepalen welke, hoeveel en waar producten dienen te komen
  • Wetgeving (Koninklijke Besluiten, Gewestelijke Decreten, Politiecodices, Europese richtlijnen en Europese verdragen)

Constructienormen:

  • EN2 (Europese Norm 2): definieert de verschillende brandklassen
  • EN3 (Europese Norm 3, EN3-7 tot EN3-10 vervangen EN3-1 tot EN3-6): constructienorm voor draagbare brandblussers, bepaalt de standaard inhouden, de gepaste kleuren, de indeling van brandblusserlabels en de wijze waarop blusratings toegekend worden
  • EN1866 (Europese Norm 1866): constructienorm voor verrijdbare brandblussers (trolleys), bepaalt gepaste kleuren, indeling van brandblusserlabels en de wijze waarop blusratings toegekend worden
  • BENOR (Belgische Norm, bevat tegenwoordig ook de ANPI-norm): bepaalt aan welke constructienormen een brandblusser in België dient te voldoen; Belgisch keurmerk.
  • PED (Pressure Equipment Directive): Europese regelgeving voor drukvaten, te herkennen aan het CE-logo. Alle brandblussers in Europa dienen aan PED te voldoen en een CE-logo te hebben.
  • TPED (Transportable Pressure Equipment Directive): Europese regelgeving voor transporteerbare drukvaten, te herkennen aan het pi-keurmerk. Alle patronen van interne patroon-brandblussers dienen in Europa aan TPED te voldoen en dus het pi-keurmerk te hebben.
  • MED (Marine Equipment Directive): Europese regelgeving voor materiaal geschikt voor de scheepvaart, te herkennen aan het marine-tandwiel. Een brandblusser met MED-keuring is geschikt voor gebruik op schepen.

Onderhoudsnormen:

  • NBN S21-050: Belgische norm voor het onderhoud van draagbare blustoestellen. Lijst de termijnen op voor het onderhoud en herbeproeving van alle draagbare brandblussers.

Projecteringsnormen:

In België zit de projectering mee vervat in diverse federale en lokale regelgeving; er is geen specifieke projecteringsnorm.

Algemene wetgeving:

  • ARAB (Algemeen Reglement voor Arbeidsbescherming): bepaalt de veiligheidsvereisten voor arbeidsplaatsen
  • KB 28 maart 2014 (Koninklijk Besluit betreffende de brandpreventie op de arbeidsplaatsen): vervangt voor een deel het ARAB en bepaalt de aanwezigheid en onderhoud van persoonlijke beschermingsmiddelen (waaronder brandblussers) op arbeidsplaatsen
  • KB 7 juli 1994 (Koninklijk Besluit betreffende vaststelling van de basisnormen voor de preventie van brand en ontploffing waaraan de nieuwe gebouwen moeten voldoen): bepaalt de aanwezigheid van beschermingsmiddelen in alle gebouwen vanaf 1994 (zowel privé/appartementen als openbaar)
  • Regels van Goed Vakmanschap draagbare en mobiele blustoestellen: worden als leidraad gebruikt voor de concrete projectering van draagbare en mobiele brandblussers

Specifieke regelgeving:

  • Logiesdecreet (Vlaams Decreet 1 april 2017): specifieke wetgeving voor toeristische logies in Vlaanderen
  • KB 1 juli 2015 (Koninklijk Besluit van pleziervaart in België): specifieke regelgeving voor schepen tot 24m romplengte
  • Besluit 22 november 2013 (vergunningsvoorwaarden en het kwaliteitsbeleid voor gezinsopvang en groepsopvang van baby’s en peuters): specifieke regelgeving voor crèches

Specifieke regelgeving:

  • Politiecodex: per gemeente, doorgaans te verkrijgen via de website van de gemeente. Doorgaans bevat de politiecodex specifieke bepalingen voor (studenten)huisvesting, evenementen...
  • Brandweerverslag: per situatie. Het kan in uitzonderlijke (gevaarlijke) situaties zijn dat de brandweer jou specifieke vereisten oplegt. Je kan je lokale brandweerzone contacteren voor een vrijwillige audit
  • Brandverzekering: per situatie. Het kan zijn dat jouw brandverzekering specifieke eisen oplegt om gedekt te zijn